Blog

Onder de Omgevingswet verschrompelt de positie van de gemeenteraad

Door : prof. dr. ir. A.G. (Arjan) Bregman - 3 januari 2019

De vaststelling van een (herziening van) het bestemmingsplan is vanouds een bevoegdheid van de gemeenteraad. Bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang is de positie van de gemeenteraad onder vroegere en huidige wetgeving cruciaal. Zo had en heeft de gemeente via directe besluitvorming grip op de kwaliteit van de leefomgeving. De Omgevingswet dreigt hierin verandering te brengen, aldus prof. dr. ir. A.G. Bregman in onderstaande redactionele bijdrage.

Voor substantiële afwijkingen van het bestemmingsplan kon tot 1 juli 2008 de gemeenteraad op grond van art. 19, lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) was de bevoegdheid voor buitenplans afwijken in beginsel bij de gemeenteraad neergelegd. Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn burgemeester en wethouders echter bevoegd gezag geworden voor het verlenen van omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1., lid 1 onder c van de Wabo voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te verlenen, indien daarvoor een voorafgaande verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is ontvangen (art. 2.27 (Wabo jo. art. 6.5., lid 1 Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van art. 6.5., lid 3 Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Indien de afwijking van het bestemmingsplan plaatsvindt door middel van het vaststellen van een projectuitvoeringsbesluit, dan is op grond van art. 2.10 Crisis- en herstelwet (Chw) de gemeenteraad bevoegd om het projectuitvoeringsbesluit te nemen. Het wetsvoorstel “Wijziging van de Crisis- en herstelwet in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling, zoals het verduurzamen van het energiegebruik” (waarmee de Tweede Kamer inmiddels heeft ingestemd) bepaalt dat, als het projectuitvoeringsbesluit voorziet in afwijking van het bestemmingsplan, naar analogie van de verlening van omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1., lid 1 onder c van de Wabo een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist.

Kortom: bij besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang is de positie van de gemeenteraad onder vroegere en huidige wetgeving cruciaal. Zo had en heeft de gemeente via directe besluitvorming grip op de kwaliteit van de leefomgeving.

De Omgevingswet dreigt hierin verandering te brengen.

Afwijkingen van het omgevingsplan als opvolger van (onder andere) het bestemmingsplan zullen – zo is bepaald in het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet – ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’ te gaan heten. Gelet op de ervaring met ruimtelijke ordening en gebiedsontwikkeling gedurende de afgelopen decennia is er geen reden om aan te nemen dat onder de Omgevingswet de behoefte om af te wijken van het vigerende plan zal afnemen. Omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zullen naar verwachting dan ook veelvuldig worden verleend.

De bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit berust bij het college van B en W (hierna: het college) . In de MvT bij de Invoeringswet wordt daarover onder meer opgemerkt: ‘Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zullen aanvullende regels gaan gelden. Zo zal de gemeenteraad ten aanzien van deze buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de mogelijkheid krijgen gevallen aan te wijzen waarin het een adviesbevoegdheid heeft en kan gedeputeerde staten gevallen aanwijzen waarvoor het een advies- en instemmingsbevoegdheid heeft.’

In gevallen waarin het college voor de omgevingsrechtelijke inkadering van gebiedsontwikkelingen en andere substantiële ruimtelijke ontwikkelingen kiest voor de route van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zal gelet op de verhoudingen tussen raad en college zoals ondergetekende die waarneemt, de positie van de gemeenteraad bij besluitvorming over de kwaliteit van de leefomgeving in veel gevallen verschrompelen. Het is met de aanstaande behandeling van de Invoeringswet aan het Parlement om hierover een oordeel te geven.

Prof. dr. ir. A.G. Bregman, Hoogleraar Bouwrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en verbonden aan het Instituut voor Bouwrecht in Den Haag en aan de Amsterdam School of Real Estate (ASRE).